Hoofdstuk 20

Wanneer Henoch in de vijfde Hemel de Gregoroi ziet, vraagt hij hun: "Waarom houdt gij geen dienst voor God?

Daarop verdeelden zij zich in vier ordeningen en  loofden met vier trompetten den Heer." 

De Gregoroi zijn voortbrengselen van de magie der wilskracht, van de misbruikte "kleine kracht". 

Zij zijn de wezens die voortgekomen zijn uit de leeuwenkracht achter het voorhoofd en zij kennen God niet meer, zij kennen slechts zichzelf. 

Op de terechtwijzing van Henoch verdelen zij zich echter in vier ordeningen en verheffen hun stemmen. 

Zij verdelen zich in de vier aspecten der schepping: aarde, water, vuur en lucht. 

Zij baseren zich op de basis van het universum en vanuit deze basis verzamelen zij hun Godslied. 

Uit deze eenheid klinken hun stemmen op als een treurig lied. 

Henoch laat de Gregoroi achter als een omgewende groep. 

Hun zelfhandhavingsmagie, die gehele schepping en haar vier elementen aantast, wordt door hen verlaten om in een eenstemmig lied hun Heer te loven. 

Zij keren terug tot de overgave en de deemoedigheid.

Zij wachten niet langer op de werken van hun broeders, maar zij wenden zich om. 

Zij willen hun lot, dat samenvalt met het einde der aarde, afwenden, want de Heer heeft hen, die moedwillig verder gaan op het Pad der zelfhandhavende occulte magie veroordeelt onder de aarde. 

De aarde, de schepping, is een noodorde, een verlossingsmogelijkheid. Zij, die onder de aarde zijn, bezitten geen kracht meer om de Geestzon in henzelf op te wekken, noch hebben zij een mogelijkheid om zich op te richten met behulp van de kosmische Geestzon.

Hen is de Zon ontnomen, materieel en spiritueel, en dit hangt samen met dat oordeel van "de buitenste duisternis", waarover in de Heilige Taal gesproken wordt. 

Zij, die onder de aarde leven zijn veroordeeld tot het parasiteren op de maankracht, de lichtloze trillingen. 

Daarom kan van hen nimmer een verlossende leer, of een Gnosis verwacht worden, want zij zijn onder het levensprincipe van de noodorde uitgezakt. 

U kunt dat in de plantenwereld ook herkennen. 

De planten, de voedingsmiddelen die onder de aarde groeien, zijn maanproducten, hun vruchten bevatten maankracht en missen zonne-energie. 

Aan het einde van een tijdperk zullen zij, die tot een leven onder het noodorde-niveau veroordeeld zijn te voorschijn komen. 

Hetgeen wil zeggen dat de lichtlozen, de maanaanbidders, de occulte magiërs en de waarlijk onder de aardkorst levende ver-doemden op de voorgrond gaan treden. 

Omdat hun bevrijdingstijd nadert, omdat zij tevens willen profiteren van de stervenstrillingen die altijd samengaan met het afsluiten van een tijdperk. 

Deze mensen, deze lichtzonen leven van het lijkengif der spiritueel en materieel stervenden.

Iemand, die spiritueel voor een muur staat en besluit alle spiritualiteit vaarwel te zeggen, straalt een bepaalde trilling uit. 

Hij roept als't ware de profiteurs, de magiërs en de zelfhandhavers tot zich. 

Zij zullen zulk een ziel vampieriseren. 

U kunt dat in onze era duidelijk herkennen. 

Met betrekking tot het gericht in deze vijfde Hemel waar gesproken wordt over het verbannen "onder de aarde" moet u even denken aan die occult-magische mensengroepen die zich onder de aard-korst bevinden in Zuid-Amerika en waarover u o.a. kunt lezen in het boek van Ossendowsky: Goden, mensen en demonen.

Ook zult u hier het occulte verhaal omtrent het rijk van Agartha door het hoofd spelen. 

Onder ons aardoppervlak wordt een magie in stand gehouden die het daglicht niet kan verdragen. 

Tibet, de Hymalaya-keten, sommige streken in Zuid-Amerika, Hawaii, het Paas-eiland, staan nauw in verband met de magiërs onder de aarde. Zij zijn echter verdoemd en dat betekent: hun licht is hen ontnomen tot aan het einde der noodorde. 

Het staat duidelijk in het Boek Henoch. 

Dit is geen wraak, geen toorn Gods, maar een bescherming terwille van hun broeders die òp de aarde leven. 

Er zijn enkele leraren geweest die een leer verspreid hebben via "de Tibetaan", u weet dit waarschijnlijk. De kennis van deze Tibetaan is enorm, maar nooit een ziele-lering. 

Hij bezit de kennis omtrent de schepping, hij is een Lichtzoon met een herinnering, maar hij wendt de geheimen aan terwille van de zelfhandhaving van zijn mede-broederen. 

Zulk een leer is nooit verbrekend, de zevenvoudige gevangenis uitbrekend, maar altijd gevangen nemend binnen de zeven-voudigheid. Het is niet moeilijk om dit in de betreffende leer-stellingen te herkennen. 

Vanuit Tibet loeit de zuigkracht van de zwarte magie en hierbij zij aangetekend dat de gehele Himalaya-strook vol is met magische groeperingen. 

De omgeving rond het Himalaya-gebergte is de bakermat van de occulte, duistere magie. 

Iemand, die daar enigszins gevoelig voor is vindt daarmede direct contact en wordt zo een Gregoroi, een reus in de natuurmagische praktijken. 

Bezit een Lichtzoon eenmaal de kennis omtrent deze  magie, dan is hij vrijwel verloren voor een gnostieke magie, omdat de occulte praktijken zijn ik versterken, zijn hoogmoed aanwakkeren en dus "zijn mond zwijgend maken voor God", terwijl zijn aangezicht duister is, zoals er in het Boek Henoch staat. 

Deze Gregoroi zijn slechts te redden door de genadekracht Gods, die pas nederdaalt wanneer de Lichtzoon zich omwendt. 

De Gnostieke leringen spreken dan ook alle van een omwending, een herstel of een herschepping. De occulte praktijken spreken van een cultivering, een sublimatie van het ego. 

Om tot een omwending of een transplantatio te komen, zoals Paracelsus zegt, moet men echter allereerst een oud bouwwerk afbreken. Men moet een oude denkrichting verlaten, zoals de Gregoroi hun hoogmoedigheid moeten afleggen. 

Er moet een doorbaak komen in het satanische, saturnale denken, dat altijd op het zelf is gericht. 

Men moet de goddelijke Trilling toelaten en dit kan nimmer ònder de aarde, maar moet altijd òp de aarde geschieden.

God is den Algoede, maar hij laat niet toe dat zijn schepping wordt vernietigd, noch door de materiële mens, noch door de schijn-spirituele mens. 

Want de schepping Gods is het behoud voor de berouwvolle Lichtzonen, die naar een Terugkeer hunkeren. 

Hij, die niet wil, wordt automatisch daarvan buitengesloten, hij zal het goddelijke Licht gaan ontberen, omdat hij zichzelf buiten dat Licht plaatst en zo komt hij geleidelijk aan in de sfeer van hen die "onder de aarde hun levenskracht" zoeken. 

Levende "onder de aarde" betekent: leven uit de spirituele mis-daad, het aanwenden van de geheimen Gods om Zijn schepping en Zijn schepsel te misbruiken. 


Als dan Henoch door de wijze mannen wordt medegevoerd naar do zesde Hemel komt hij in het rijk van de aartsengelen, zoals hij zelf zegt. 

Het is het rijk van hen, die alle ordeningen regelen, die staan boven de engelen en de sterren en de maan, de zon en de planeten. 

Op de zesde dag, zo staat er in Genesis, schiep God de wezens die bij de aarde behoren. 

Hij schiep hen als weerspiegelende schepsels der aarde. 

Er staat duidelijk: God schiep hen naar de aard der aarde. 

De zesde dag is de sfeer waarin de weerspiegelende elementen, zij, die de mogelijkheid bezitten om een hogere trilling uit te dragen, geschapen worden. 

Tot hen behoort de mens, en ook de bepaalde diersoorten, die aan de aarde zijn gebonden. 

Op deze zesde dag wordt het "ego", het ik der aarde geboren, maar tevens wordt de ziel in deze aardgebonden-wezens geplaatst. 

De zesde dag is dus de vereniging van de aardseziel, het ik, en van de Godsziel, de Lichtzoon. 

U kent wel de symboliek van het hexagram: zo boven zo beneden,  dit is van toepassing op deze zesde dag; de noodorde is gereed, want het boven en het beneden zijn tezamen verbonden in de mens. 

Het organisme waarin de gevallen Lichtzoon, de ziel, kan aan-vangen, is gereed gekomen. 

De dieren bezitten allen een ziel naar het beeld van de aarde, ieder dier is instinctief zelfhandhavend, egocentrisch, maar daarom nog niet moordlustig, zoals wij dikwijls zien bij de gedegenereerde vorm der dieren. 

De natuur is één en al zelfhandhaving, dat is haar aard. 

Maar zij is niet vernietigend om het spel der vernietiging zelf. 

Daar waar men het doden gaat liefhebben om de sensatie van het doden, leeft men uit de trillingen des doods en dat betekent altijd uit de maan-begeerte. 

De zesde dag is de dag van de plaatsing of vergeving der ziel. 

Daarom wonen zij, die met deze ziel in verbinding staan, in de zesde Hemel. 

Zij geleiden de ziel, zij beleren en onderwijzen de ziel, maar zij schrijven tevens de wetten der ziel. 

Hier wonen de zuiverste zielen, zij, die de harmonie van het boven en het beneden hebben hersteld. 

Zij kunnen de ziel begeleiden tot aan de gouden, of lichtende gloed van de zevende Hemel. 

Zij zijn de aartsengelen, de wezens die alles in één zijn: vuur en water, lucht en aarde en zij zingen van de verwerkelijking van de zevende Hemel. 

Hier bevinden zich de engelen die de ziel in het Boek des Levens schrijven, die de zielen herkennen die opgenomen worden in de trilling des levens, die nimmer door de tegenstelling zal worden vernietigd. 

Er is geen onderscheid onder hen, want zij zijn een eenheid, zij vertegenwoordigen de harmonie tussen God en ziel. 

Deze wezens houden de harmonie der schepping in evenwicht, omdat zij wezens der harmonie zijn. 

De ziel die terugkeert moet altijd een herstel vinden tussen de principes van de zesde dag: de ziel der aarde en de ziel van God. 

Daartoe, zo staat er, kan hij leven van de voortbrengselen der aarde, maar er zal geen moord, geen dood zijn. 

De Genesis-aanduiding spreekt duidelijk voor een vegetarische voedingswijze, want zij die de ziel van de aarde bezitten zullen gevoed worden uit het kruid der aarde, en zij die de ziel van God of Zijn evenbeeld bezitten, zullen zich voeden met het zaad-zaaiende zaad. 

Er zijn op deze woorden diverse voedingsleringen te baseren, maar voor alles moet er van uitgegaan worden dat de mens een ziel Gods bezit. 

Om harmonie te bewerkstelligen tussen deze ziel en haar God, zal hij de zesde dag wederom moeten herstellen. 

Want de zeven scheppingsdagen zijn niet door de mens begrepen geworden, noch materieel noch spiritueel. 

Hij wordt boven alle levende schepselen geplaatst, mits hij de zesde dag realiseert of de kennis van de zesde Hemel bezit: de harmonie van het boven en het beneden. 

Er is, gezien  het handelingsleven der mensen, een diep onbegrip ontstaan omtrent het doel der schepping en de verhouding der schepselen. 

Uitgaande van dit onbegrip kan er nooit een ziele-verlossende idee uit zulk een mens geboren worden. 

Slechts zij, die de sfeer der zesde Hemel kennen, beogen en de wet van harmonie volgen, zowel stoffelijk als geestelijk. 

En deze wet is door te voeren tot in de voedingsmethoden, zonder dat men in fanatisme behoeft te vervallen. 

De vier rijken zijn op elkander ingesteld, zij behoren harmonisch naast elkaar en met elkaar te kunnen leven, maar zij behoren nimmer op elkaar te parasiteren. 

Het dier kent instinctief de genezende kruiden, omdat zij veelal nog in harmonie met de scheppingswetten leeft, slechts de decadentie brengt onkunde. 

Wij geloven niet in een regeneratie via de aarde-ziel of het ego, dat door de voedingsmethoden te beïnvloeden is, maar wij geloven wel in een regeneratie via de Godsziel. 

Herstelt men het contact tussen de ziel en God, dan volgt de aarde-ziel of het ego vanzelf in zijn levenshouding. 

Men kan het ego niet verwijten dat het de aarde-trillingen in zich omdraagt, maar men kan wel de Lichtzoon of de ziel verwijten dat de hoogmoedigheid de poort tot de wederverbintenis toesluit. 

Tot al deze zielen, die hoogmoedig voortgaan op de schijn-koninklijke wegen, spreken wij!

Tot het ego spreken heeft geen enkele zin, want de terugweg is niet  voor hem!

Het ego behoort slechts puur, harmonisch natuurlijk te worden, zuiver lood, maar de ziel is de middelaar die het Inzicht daartoe overdraagt!

Daarom is de zesde Hemel het rijk van de ziel. 

Zij is de leidende factor voor iedere Lichtzoon!

Die hore, hore met innerlijke oren!

1970 - 2024, copyright Henk en Mia Leene